I home
      I reisverhalen
      I congo
      I matonge
      I memisa
      I helpende handen
      I flandrien
      I literatuur
      I links
      I contact

Kerstessay

Er was eens een fietser uit Borgloon. Die vond de wereld te mooi en te groot om er niet in te willen verdwalen. Hij zadelde zijn stalen ros en pakte zijn boeltje. ‘Ik mag zeker mijn tent niet vergeten’, bedacht hij. ‘Want stel dat er geen plaats meer is in de herbergen en er is ook geen stal in de buurt… Dan heb ik toch nog iets boven mijn hoofd.’ Hij koos het ruime sop en het eerste land dat hij doorkruiste was dat van de Franken. De mensen waren er over het algemeen wel vriendelijk. En als hij zijn buidel zilverlingen liet rinkelen was er in elke herberg wel een plaatsje voor hem. Toch moest hij ook vaak zijn tent opzetten. En het gebeurde wel eens dat zo’n Frank niet wou dat hij dat deed op een grasveldje bij diens huis. Geen erg, hij zocht dan wel een plekje dat aan niemand of iedereen toebehoorde. ‘Was die Frank misschien bang dat hij enkele van diens grassprietjes zou kreuken?’

De fietser moest over hoge bergen en arriveerde op het Iberische schiereiland. Hij mende zijn ros door diepe valleien en over robuuste bergkammen. Langsheen de Basken en de Andalousiërs, om uit te komen bij de Middellandse
Zee. Hij scheepte in te Tanger en kwam aan in Marokko. Dit wonderlijke land werd bewoond door verschillende volkeren: Arabieren, Berbers (Amazich) en Saharawi’s. Maar één ding hadden ze allen gemeen. Als ze de fietser zagen, zwaaiden hun deuren open. Hij was overal even welkom. Hij bezigde zijn tent steeds minder. Hij sliep in tankstations, bij een drugssmokkelaar. En het weinige dat de mensen hadden deelden ze met hem. Bij de boer kreeg hij Couscous van zelfgeteelde groenten. De visser bakt Sardienen, zo vet als forellen op hout. En de vrouw van de gsm-mastbewaker toverde met aubergines.

Een tikkeltje beschaamd bedacht de fietser hoe men in zijn eigen Belgenland soms vreemdelingen behandelde. Er was nochtans een tijd dat reizigers ook daar graag gezien gasten waren. Zij brachten nieuwtjes van de naburige dorpen. Ze vertelden straffe verhalen uit verre oorden en toonden de meest bizarre voorwerpen. Ze werden overal uitgenodigd en heel het dorp of stad hing aan hun lippen. Vandaag levert de televisie ons een venster op de wereld. Maar als die wereld dan voor onze deur staat kunnen we niet snel genoeg sluiten…
Op zekere dag arriveerde de fietser in het woestijngat Tah. Daar ontmoette hij Elarbi, een wat oudere man, fijne gelaatstrekken en een goedmoedig gezicht. Deze kwam fier zijn Nederlands tonen. Hij had enkele jaren in de buurt van Amsterdam gewoond. ‘Weet je’, zei hij, ‘Christen mensen zijn goede mensen.’ ‘Vooruit dan maar’ bedacht de fietser en hij repliceerde ‘Moslimmensen zijn ook goede mensen.’ Erlarbi lachte en vertelde dat hij in het kerkkoor gezongen had. Met zware baritonstem zong hij van Gloria in exelsius deo. De fietser viel in en ze zongen van stille nachten en dennenbomen. Hun stemmen vulden het duister van de nacht en de leegte van de Sahara. Vanop het terras keken ze samen naar de sterren, die nergens zo mooi en sterk fonkelen als boven de woestijn. De melkweg sluierde er mooi zichtbaar doorheen. ‘Doen we nog één keertje van Gloria?’ vroeg Elarbi…

Ook vanuit de Westelijke Sahara: Prettige feesten!

terug