I home
      I reisverhalen
      I congo
      I matonge
      I memisa
      I helpende handen
      I flandrien
      I literatuur
      I links
      I contact

Goldrush

Op weg naar Bamako, even voorbij Siguiri, blaas ik uit aan een koffiestalletje aan de rand van de rustige weg, verkeer is er nauwelijks. Achter het stalletje ligt het dorpje Soumbarakoba. Veel beweging is er niet, het lijkt wel uitgestorven. Op het heetste moment van de dag kan je die indruk wel vaker hebben. Mensen zoeken verkoeling onder het bladerdak van een boom, of verzamelen onder een zelfgemaakt afdakje van riet. Maar hier zie ik zelfs dat niet. Blijkt dat heel het dorp zich in de mijn bevindt. De mijn echo ik? Wat voor mijn, ijzer, bauxiet? Het blijkt een goudmijn te zijn. Nu kan zon bauxietmijn ook wel een goudmijn zijn, maar deze keer valt het letterlijk te nemen. Daar wil onze nieuwsgierige snuit natuurlijk wel meer van weten. Een smal pad leidt naar, de toch een beetje magische plaats. De bodem is bruinrood, kiezelig. Begroeiing is eerder schaars, af en toe schlemielige boompjes met schaars loof. Als we de mijn bereiken is dat niet meer dan een open ruimte waar je vooral vrouwen grind ziet wassen. Voor de rest veel, ronde diepe gaten, zij aan zij.  Mannen laten zich aan koorden naar beneden zakken, tot wel 30meter diep beweren ze. Daar kappen ze met eenvoudige bijltjes een halve kalebas vol grind. Die wordt naar omhooggetrokken en belandt zo bij de goudwassers, de vrouwen dus. Alles gebeurt met de hand, machines komen er niet aan te pas. Duizend jaar geleden moet het ook zo gegaan zijn. Als hebben ze nu wel zaklampen, die steken ze achter een band om hun hoofd. Zo zie je toch nog iets beneden. Het is niet al goud wat blinkt. Maar het glinsterende goudgele poeder dat de vrouwen uit het grind tevoorschijn wassen lijkt er toch verduiveld veel op. Klompjes worden maar zelden gevonden. Kom doet er ntje teken, kruip ook eens in een gat. Goed dan, we gaan ons hier niet laten kennen.

Jeroen, de goudzoeker, het heeft nog iets. Gewapend met zaklamp en bijltje laat ik me in een gat, aan een rafelige koord 15
meter naar beneden glijden. Ik schuur langs de kiezelrotsachtige wand mijn armen en rug open. Shit dat ding is duidelijk niet voorzien op mijn 1m91. Terug houvast onder mijn voeten, kan ik me nauwelijks bukken. Door het vele fietsen doen mijn spieren ook geweldig veel pijn in gehurkte houding. Met veel moeite kap ik twee kalebassen grind. Ik zie letterlijk sterretjes en laat me vlug terug omhoogtrekken. Luid gelach natuurlijk, zwakke witte. Of er nu goud gevonden is in mijn twee manden kom ik niet te weten. Die zijn al vertrokken naar de wassers. Bovendien is er niemand die een beetje Frans spreekt. In de minder diepe gaten zie ik ook kinderen aan het werk. Ik zou gechoqueerd moeten zijn, kinderarbeid! Maar ze lijken zich zelfs te amuseren. De hele mijn baadt ook in een relaxe sfeer. Er zijn geen opzichters, er wordt niemand opgejaagd. Er is ook geen officile eigenaar. Wie moe is laat zich optrekken en rust uit zolang hij wil. Een beetje verder staan de mamas met hun eetstandjes. Ook de wegers hebben er hun tenten opgeslaan. Zeventien euro voor een gram wordt er uitbetaald. De goudzoekers beweren tot 70 100euro per maand te kunnen verdienen. Dat is bijzonder veel als je weet dat een universiteitsprofessor maar een schamele 54 euro vangt. Soumbarakoba is dus een rijk dorp, toch merk ik daar weinig van. Er is geen elektriciteit, geen technologie, dezelfde zwart/wit tv die werkt op een autobatterij als in andere dorpen. Maar s avonds bij de thee, er is n iemand een klein mondje Frans spreekt, blijkt dat ze allemaal drie of meer vrouwen hebben. Aha, daar gaat het geld naartoe. De avond kabbelt gezellig verder, af en toe schiet er iemand in de lach als er weer eens wordt uitgebeeld hoe ik aan de koord bengelde. Voor de rest krijg ik massas vragen voorgeschoteld zoals: hoeveel keer en wat eten jullie per dag in Europa? Mag je je vrouw slaan? En je kinderen?

Het verhaal typeert Guinee, rijk aan grondstoffen maar geen middelen om ze te exploiteren. De staat staat bijzonder zwak en is eigenlijk grotendeels afwezig. De mensen trekken dan maar zelf hun plan. Jammer genoeg trek ik de volgende dag alweer verder richting Bamako. Ik was graag nog even blijven hangen, maar voel me zo slecht dat een doktersbezoek zich opdringt.

terug